De stelling dat de islam de rechten van de vrouw beperkt of de vrouw onderdrukt is volledig onterecht. De islam bestaat reeds 1400 jaar. Voor de islam had de vrouw geen rechten. Met de komst van de islam kreeg ze een rechtswaardige positie. De islam ziet de man en de vrouw als een elkaar aanvullend geheel, de één kan niet bestaan zonder de ander. De vrouw is een verheven schepsel met haar vrouwelijke eigenschappen en de man is een verheven schepsel met zijn mannelijke kenmerken.

Profeet Mohammed (vrede zij met hem) pleitte nadrukkelijk voor de opvoeding en onderwijs van meisjes en heeft hij de bescherming van de rechten van de vrouw bevolen. In zijn tijd hebben de meest wijze, hoog opgeleide en voornaamste vrouwen geleefd. Zijn echtgenote Aisha is hier een voorbeeld van.

Een vrouw dient opgevoed te worden zonder onderscheid te maken tussen de geslachten. Ouders worden verplicht rechtvaardig te handelen in het geven van genegenheid en cadeaus aan hun kinderen, dit valt onder hun verantwoordelijkheid. Dit is ook opgenomen in het nalatenschap van onze heilige profeet (vrede zij met hem). Daarnaast wordt bij de geboorte van een meisje - net als bij een jongen - een offer ‘akika’ gebracht uit dankbaarheid. 

"Een vader die drie, twee of maar één dochter opvoedt door haar rechten te beschermen, zal in het paradijs met haar samen vertoeven." 1

Wanneer een vrouw trouwt, heeft ze het recht om haar kandidaat te zien en af te wijzen als hij haar niet bevalt. Niemand kan haar dwingen om te trouwen als ze dat zelf niet wilt. De gedwongen huwelijken tegenwoordig hebben niets met de islam te maken, dit moet geweten zijn. Dit komt eerder voor in gemeenschappen die volgens de lokale traditie handelen en zeker niet meegaan met de principes van de islam. 

Volgens de islam mag de bruid een bruidsschat van gewenste waarde vragen aan de bruidegom. Deze bruidsschat oftewel ‘mihir’ is haar volste recht dat door Allah is bepaald en dient als haar garantie. Ze mag haar bezittingen en geld naar eigen wens gebruiken in het kader van het toegestane. Ze is vrij om het uit te geven, er handel mee te drijven, en/of het te besteden aan een goed doel.  Door te trouwen is de economische en sociale zekerheid van de vrouw gewaarborgd. De echtgenoot is belast met alle noodzakelijke kosten voor hun onderdak en voor haar. De echtgenoot is verplicht om in al haar benodigdheden te voorzien in de mate van zijn mogelijkheden. Als hij dat niet kan, kan hij er niet mee trouwen. Als hij daar ook niet in slaagt na het trouwen, mag de vrouw van hem scheiden indien zij dit wenst. 

De man mag zijn vrouw niet beledigen. Hij mag niet vergeten dat zij zijn levenspartner is. De heilige profeet verklaart:

"De meest deugdzame man is degene die zijn vrouw 
het best behandelt." 2

Het behoort tot de taken van de man om zich thuis samen met haar te amuseren, grappen te maken en haar te plezieren. De man mag zijn vrouw niet straffen omwille van kleine uitvluchten, zolang zij niet opstandig handelt op een onrechtvaardige manier. De vrouw mag een hulpje in huis vragen als hij zich dat kan permitteren. Vervolgens kan ze niet verplicht worden tot het uitvoeren van huishoudelijke taken, met uitzondering van de taken die ze volgens de traditie wel geacht wordt uit te voeren opdat het haar niet kwalijk genomen zou worden. Ook hoeft zij niet samen te wonen met haar schoonfamilie, indien zij dat wenst moet de man voor haar in een apart onderkomen voorzien. 

Kort samengevat, in de islam heeft de vrouw economische en sociale zekerheid en is ze vrij van zorgen over haar levensonderhoud. Als ze wil werken mag zij een passend beroep kiezen en werken maar zij is niet verplicht om te werken. Bovengenoemde punten zijn enkele voorbeelden van de rechten van de vrouw tegenover haar man. Meer over dit onderwerp zijn opgenomen in alle islamitische boeken.  Bovendien zijn het niet gewoon adviezen maar wettelijke rechten die van kracht zijn.  Waar de vrouw wordt onderdrukt en geen waardering kent, is dat te wijten aan het niet naleven van de islam.


 


 

 

Bronnen, noten en referenties

  1. Hadith, Ibn Mâce, Edep 3.
  2. Hadith, Buhâri, nikâh 43; Müslim, fedâil 68.