Het leven op aarde heeft twee doelen. Het eerste doel is gericht op Allah, het tweede doel is gericht op de mens en andere levende wezens. 

Het eerste richtpunt:

Allah heeft de mens geschapen als een schepsel met verstand. Zoals het universum en alles daarin Hem aanbidt, wil Allah dat de mens als wezen met verstand deelneemt aan deze aanbidding. 

“En ik heb de djinns en de mensen alleen geschapen opdat zij mij aanbidden.” 1

Met deze vers wordt de nadruk gelegd op dit feit: Wanneer men vanuit dit perspectief kijkt, kan men concluderen dat het doel achter het bestaan van de mens, het leren kennen van de schone namen van Allah en Zijn eigenschappen is en het geloven in Hem en dit in praktijk brengen. 

“(Hij) Die de dood en het leven schiep opdat Hij jullie kan beproeven, wie van jullie het best in daden is.”2

In deze vers wordt benadrukt dat de mens onderworpen is aan een beproeving door Allah en dat de dood en het leven een onderdeel is van deze beproeving.

Het doel achter het leven op aarde vanuit het perspectief van de mens:

Voor de mens is het eerste doel van het leven: zijn Schepper Allah (Schepper van de wereld in dienst van de mens, de Schepper van de Zon die licht en warmte geeft, de Schepper van wolken, regen, wind, bergen, planten en dieren die de mens in zijn behoeften voorziet) leren kennen met Zijn schone namen en Zijn eigenschappen, in Hem geloven en Hem aanbidden. 

Het tweede doel is: het hoogste niveau van kennis en technologie bereiken en gerechtigheid garanderen. 

Samengevat: de mens is geschapen om kennis op vlak van religie en wetenschap te vergaren en om van de wereld een betere plek te maken en zo de hemel binnen te treden. 

Allah, de Almachtige, zegt het volgende in de Koran: 

Iedere ziel zal de dood proeven. En alleen op de Dag der Opstanding zullen jullie je volledige beloning ontvangen. En wie van het vuur wordt afgehouden en tot het paradijs wordt toegelaten, heeft zeker gewonnen. En het wereldse leven is slechts een misleidende genieting.”3


 

 

Bronnen, noten en referenties

  1. De Heilige Koran, Adh-Dhariyat (De Schiftende Winden) 51/56.
  2. De Heilige Koran, Al-Mulk (Heerschappij) 67/2.
  3. De Heilige Koran, Al-Ali Imran (Imrans Mensen) 3/185.