Het eerste antwoord op deze vraag is dat deze wereld een plek van beproeving is. Wanneer enkel ongelovigen en zondaars tijdens een ramp getroffen zouden worden en alle onschuldigen en vromen niet, zou er sprake zijn van een toestand dat tegen de beproeving ingaat.

Onschuldige mensen, waaronder kinderen, maken deel uit van de beproeving op deze wereld. Onderdrukkers zullen hun straf niet altijd op deze wereld krijgen, maar grotendeels ook in het hiernamaals. 

De onderdrukten zullen in het hiernamaals hun recht bij de onderdrukkers halen. Ook zullen onderdrukten profijt hebben van de barmhartigheid van Allah door oneindig veel rijkdom te krijgen in het oneindige hiernamaals. 

Dit is als beloning voor de onderdrukking, terwijl ze onschuldig zijn geweest op de wereld. 

Als er alleen schuldige mensen of zondaars bestraft zouden worden op deze wereld, dan zou de beproeving op deze wereld niet echt een beproeving zijn omdat iedereen kon weten en zien dat er onmiddellijk een straf volgt bij het niet toepassen van de geboden en verboden.

Zouden bijvoorbeeld bij een natuurramp alleen de onderdrukkers en zondaars overlijden, dan kon iedereen zien dat er onmiddellijk een straf volgt bij het niet volgen van de geboden en verboden. 

Indien onschuldige kinderen overlijden terwijl zij nog niet de pubertijd hebben bereikt, is dat een profijt voor de kinderen. 

Zij zullen in de hemel belanden ook al zijn ze gelovig of ongelovig. Onschuldige jongeren die de pubertijd al gepasseerd zijn, zullen -afhankelijk van de mate van betrokkenheid in het geloven van Allah- beloond of bestraft worden in het hiernamaals. 

In de Heilige Koran zegt Allah het volgende hierover:

“En denk niet dat Allah niet goed let op wat de onrechtplegers doen. 
Hij geeft hun slechts uitstel tot een dag waarop de blikken verstarren, terwijl zij zich voortspoeden met hun hoofden uitgestoken, hun oogleden die zich niet sluiten en hun harten leeg [van schrik]. En waarschuw de mensen voor een dag waarop de bestraffing tot hen komt. Dan zullen zij die onrecht pleegden zeggen: "Onze Heer, verleen ons nog een kort uitstel, dan zullen wij aan Uw oproep gehoor geven en de gezanten volgen." Hadden jullie vroeger niet ook al gezworen dat er voor jullie geen ondergang was? 

En jullie bewoonden de woonhuizen van hen die zichzelf onrecht aandeden en het is jullie duidelijk geworden hoe Wij met hen gehandeld hebben. Wij hebben jullie toch voorbeelden ter vergelijking gegeven.”1


 

 

Bronnen, noten en referenties

  1. De Heilige Koran, Ibrahim (Abraham) 14/42-45.