Allah de Almachtige schonk wonderen als bewijs voor de werkzaamheden van zijn dienaren, die hij als profeet stuurde. Zoals; bij profeet Jezus voor de opwekking van de doden1 en het openen van de ogen van de blinden2, bij profeet David om het ijzer als deeg te kneden en hen allerlei vormen te geven3, bij profeet Salomon om op de wind te zetelen en de afstand van twee maanden op één dag te af te leggen4, bij profeet Abraham waarbij het vuur hem niet aanstak5, etc.

Het grootste wonder van de profeet Adam is dat Allah de Almachtige hem de algehele woordenschat en talen aanleerde en de benamingen van alle dingen onthulde. Net als bij de wonderen die aan alle profeten zijn gegeven, wordt dit wonder van Adam ook beschreven in de Koran. Allah de Almachtige heeft aan de profeet Adam al de instructies van de opleidingen meegegeven, in de zin van de naam van alles, het doel van de schepping en het onderwijzen van de algehele talen en taalbeschouwing.

In de Heilige Koran vertelt Allah ons uitgebreid over deze kwestie namelijk in de soera Al-Baqarah (De Koe) verzen 31-33:

En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen en toen liet Hij deze aan de Engelen zien en zei: “Vertel Mij hiervan de namen, als jullie waarachtig zijn.”
Zij (de Engelen) zeiden: “Verheerlijkt bent U, wij hebben geen kennis behalve van wat U ons onderwezen heeft. U bent de Alwetende, de Alwijze.”
Hij zei: “O Adam, vertel hun de namen.” En toen hij hun de namen had verteld, zei Hij: “Heb Ik je niet verteld dat Ik het onzichtbare in de hemelen en op de aarde ken en dat Ik weet wat je onthult en wat je verborgen houdt?”

Elmalılı M. Hamdi, een van de Koran exegeet (verklaarder) van de 20ste eeuw, verklaarde dat zoals bij al de wetenschappen de talen ook verschillend zijn. Hij wijst erop dat dit wonder is gebaseerd op het aanleren van al die woordenschat in verschillende talen bij Adam en zegt: “De belangrijkste reden waarom talen anders en divers waren tot onze tijd is deze instructie/opleiding die aan profeet Adam wordt meegegeven tijdens zijn schepping, de leer van alle talen en hun namen” (The language of the Holy Quran, 1-310).


 

 

Bronnen, noten en referenties

  1. De Heilige Koran, Ali-Imran (Imrans Mensen) 3/49.
  2. De Heilige Koran, Al-Ma-idah (De Tafel) 5/110.
  3. De Heilige Koran, Saba (Sheba) 34/10-11.
  4. De Heilige Koran, Sad (de Arabische letter) 38/36.
  5. De Heilige Koran, Al-Anbiya (De Profeten) 21/69.