Toen de Boodschapper van Allah de leeftijd van veertig jaar had bereikt, kende Allah de Almachtige hem het profeetschap toe met deze vers: 

“Lees! In de naam van jouw Heer, Die (alles) heeft geschapen."1

In de eerste dagen na de aankondiging van zijn profeetschap verzamelde de Boodschapper van Allah de mensen van de Quraish-stam2 bij de rots van een heuvel en vroeg:

“O gemeenschap van Quraish! Als ik jullie zou vertellen dat zich aan de rand van deze berg of in die vallei zich een vijandelijk leger ophoudt, dat op het punt staat om jullie aan te vallen en jullie bezittingen in beslag te nemen, zouden jullie mij dan geloven?” Zonder te aarzelen antwoordden zij: “Ja, wij zouden jou geloven, want jij hebt ons altijd de waarheid verteld. We hebben jou nog nooit horen liegen!”3

Hierop verklaarde de Boodschapper van Allah dat hij een profeet is, gestuurd door Allah. Geëmotioneerd riep hij de mensen op om in zijn woorden te geloven en een goed leven te leiden in overeenkomst met de geboden van Allah. Hij vertelde ook dat de ongelovigen een pijnlijke bestraffing te wachten staat. Hij verduidelijkte hun dat het noodzakelijk was om zich tijdens dit wereldse leven voor te bereiden op het eeuwige leven. Hij kwam er echter al snel achter dat het erg moeilijk zou zijn om het volk zich af te laten keren van hun verkeerde geloofsovertuigingen.

De boodschapper van Allah liet vanaf die dag geen moment onbenut om zijn mensen uit te nodigen tot de waarheid, ongeacht hun afkeer en hun tegenwerking. Hij ging van deur tot deur, hij bezocht de pelgrims en de markten en hij trachtte mensen uit te nodigen tot het rechte pad bij iedere gelegenheid die zich voordeed. Hij wist niet van opgeven en hij liet zich niet kennen door moeilijke situaties. Hij vertelde hen steeds opnieuw dezelfde waarheden, zelfs aan de mensen die zich op de meeste vijandige wijze gedroegen. Hij maakte ze duidelijk dat hij de islam alleen omwille van Allah verspreidde.

“Zeg (o Mohammed): ‘Ik vraag jullie hier geen beloning voor (voor het verkondigen van de boodschap). En ik behoor niet tot degenen die zich overdreven inspannen (om zaken te verzinnen die niet bestaan).’”4

De Boodschapper van Allah was analfabeet. Zoals vele mensen in zijn tijd kon hij niet lezen of schrijven. Het was dus voor hem niet mogelijk om geschreven teksten van anderen over te nemen of boeken te lezen om vervolgens de inhoud daarvan aan mensen te verkondigen. Voor een analfabete persoon is het alleen mogelijk om zulke belangrijke informatie te verkondigen indien deze hem via openbaringen zijn gegeven. Zelfs zijn vijanden in die tijd waren op de hoogte van zijn ongeletterdheid en erkenden de uniekheid van zijn boodschap.Allah zegt in de Koran:

“En jij (o Mohammed) droeg hiervóór (d.w.z. vóór de Koran) geen (enkel) boek (aan hen) voor, noch schreef jij het (d.w.z. een of ander boek) met jouw rechterhand. In dat geval zouden degenen van wie de daden teniet zijn gedaan (doordat zij valse goden aanroepen) zeker in twijfel hebben verkeerd.”5

De afgodenaanbidders waardeerden de moraal van profeet Mohammed  en waren ervan overtuigd dat hij geen leugens verkondigde. Echter waren zij niet bereid om hun onrechtmatig verkregen wereldse belangen en hun lichamelijke begeertes op te offeren. Op een dag kwam de Boodschapper van Allah Abu Jahl (tegenstander van de profeet) en zijn naaste vrienden tegen, die aartsvijanden van de profeet waren. Zij zeiden:

“O Mohammed! Bij Allah, wij maken jou niet uit voor een leugenaar, jij bent volgens ons een zeer waarheidlievend persoon. Echter, wij ontkennen de verzen waarmee jij aankomt."6

De afgodenaanbidders probeerden alles om de profeet ertoe over te halen met zijn missie te stoppen. Ze vroegen zijn geliefde oom om tussen hen te bemiddelen. Zij benaderden de profeet met aantrekkelijke voorstellen en boden hem aan tot koning te kronen, geld voor hem te verzamelen en hem de rijkste man onder hen te maken en hem te laten trouwen met de prachtigste vrouwen van Quraish. Echter realiseerden de afgodenaanbidders zich dat zij niet tot een compromis met de boodschapper van Allah konden komen. 

Hierdoor richtten zij zich op vijandige handelingen. Met de dag namen de onderdrukkingen en martelingen toe van de moslims. De afgodenaanbidders verbraken alle relaties met de moslims en met hun beschermers. Zij legden hun actie vast in een geschreven verdrag dat zij bevestigden aan de muur van de Kaaba. Deze boycot werd gedurende drie jaar voortgezet waarbij de intensiteit ervan toenam: de moslims hadden sterk te lijden van de honger en van andere problemen die de verslechterende situatie met zich meebracht.

De boodschapper van Allah begaf zich samen met een metgezel (Zạyd ibn Harithah) naar de stad Taif, 160 kilometer van Mekka verwijderd. Hij bleef daar gedurende tien dagen en sprak met leiders, waarvan sommige tot de familie van zijn moeder behoorden om hen ertoe te bewegen hem steun te verlenen. Ook door hen werd hij bespot en belasterd. Uiteindelijk stuurden zij zelfs slaven en kinderen naar wegen waar de boodschapper van Allah langs zou komen om stenen naar hem te gooien en hem te beledigen. Hierdoor bloedde hij zo hevig dat zijn sandalen aan zijn voeten bleven plakken, maar dan nog vervloekte de profeet hen niet.

De boodschapper van Allah beschrijft zijn terugkomst van Taif als volgt:

“Ik bevond me op de weg terug en wandelde in diep verdriet verder. Ik kon niet tot mijzelf komen totdat ik belandde op een plaats genaamd Qarn ạl-Sạalib. Toen ik mijn hoofd daar omhoog richtte, zag ik dat een wolk mij overschaduwde. Toen ik nog zorgvuldiger keek, bemerkte ik in de wolk de engel Gabriël. Hij zei tegen mij: “De Almachtige Allah heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd en hoe zij hebben geweigerd om jouw bescherming te bieden. 

Hij heeft de engel van de bergen tot jou gezonden, zodat je hun kan aandoen wat je hun wenst aan te doen.”

Toen begroette de engel van de bergen mij en zei: “O Mohammed! De Almachtige Allah heeft mij gezonden om te doen wat jij wenst. Wat wil je dat ik doe? Indien je wenst, kan ik deze twee bergen op hun doen ineenstorten.”

Toen zei ik:
“Nee, ik bid tot de Almachtige Allah, dat Hij nakomelingen doet voortkomen uit hun bloedlijnen, die alleen Hem aanbidden en geen partners aan Allah toekennen.”7

In de dagen erna werd een groep mensen afkomstig uit Medina, moslim. Deze mensen begonnen in Medina met het prediken van de islam en vroegen profeet Mohammed om iemand te sturen in het bezit van kennis. Zijn metgezel Musab ibn Umạyr werd aangewezen en binnen de kortst mogelijke tijd was er geen huis meer in Medina te vinden waar de islam niet was binnengetreden. Nadien nodigden zij de boodschapper van Allah uit om naar Medina te komen en beloofden zij dat ze hem zouden beschermen.

 

 

Masjid Nebewi – De moskee en ligging van de graf van de profeet


 

Bronnen, noten en referenties

  1. De Heilige Koran, Al-Alaq (De Bloedklonter) 96/1.
  2. Een eervolle stam, bestaande uit verschillende onderling verwante clans in Mekka.
  3. Hadith, Tafsir al-Bukhari Tafsir 26/2.
  4. De Heilige Koran, Sad (de Arabische Letter Sad) 38/86.
  5. De Heilige Koran, Al-Ankabut (De Spin) 29/48.
  6. Hadith, Sunan Al-Tirmizi, Tafsir 6/3064.
  7. Hadith, Sahih Muslim, Jihad, 111.