Een paar moslims komen bij Profeet Mohammed en klagen over influisteringen (waanideeën) die ze zelfs niet durven luidop te zeggen. De Profeet (v.z.m.h.) antwoordt;

“Dat dit wijst op een diepe en pure vroomheid bij hen en dat de volgelingen niet verantwoordelijk zijn voor deze influisteringen zolang zij er niet aan toegeven.” 1

1. Influisteringen en/of waan komen door een sterke geloof. Satan valt deze mensen met een schat aan geloof en vroomheid aan om ze hiervan te beroven. Deze aanvallen en berovingen van Satan zijn begonnen met de profeet Adam en zullen duren tot het einde van de wereld.

Satan zal vooral iemand met een hart vol geloof lastigvallen, om hem van zijn waardevolle geloof en aanbidding te beroven. Hij verspeelt zijn tijd niet met lege en uitgebluste harten. Zij hebben geen last van influisteringen. Zelfs dieven gaan naar huizen van rijkelui. Een moslim die hiervan last heeft moet dit beseffen en weten dat Satan op een dag de strijd zal opgeven. Men moet geen gehoor geven aan zulke duivelse influisteringen en waanideeën.

2. Waanideeën en influisteringen behoren niet tot het hart. Anders zou men zich er niet slecht door voelen en er geen last van hebben. In het tegenovergestelde geval zou Satan zich met zo een hart ook niet bezighouden. Omdat de vertwijfeling niet uit het hart komen ervaren deze personen ze als storend.

Dit is af te leiden uit de reacties van die persoon zoals koorts, fronsende wenkbrauwen, hoofdpijn en minder eetlust. Wat de Satan stuurt en niet uit ons eigen hart komt, gaat in gevecht met wat ons wel eigen is, namelijk onze vroomheid en geloof. Als gevolg hiervan ervaren we dit als storend. Ons hart en geloof zullen zich verzetten tegen deze influisteringen omdat ze niet tot ons behoren.

3. Een mens is niet verantwoordelijk voor influisteringen omdat ze niet vrijwillig zijn en omdat hij er geen gevolg aan geeft. Om verantwoordelijk te zijn, moet er sprake zijn van wil en bewustzijn. Als we niet zelf de deuren openzetten voor influisteringen kunnen we er niet verantwoordelijk voor gesteld worden; zolang we er geen gevolg aan geven. Onze rede zal onaangekondigd geconfronteerd worden met vertwijfeling. Dit is het zelfde in het geval van herinneringen, dromen en gedachten net als hetgeen we lezen, horen en zien. Dit hoort gewoon bij onze schepping. Het belangrijkste is er niet naar te handelen.

4. Zolang men geen aandacht besteed aan waan en er geen probleem van maakt, zal het niet schaden. Het is zoals een wens die zwak en van voorbijgaande aard is. Zaken die in onze gedachten en verbeelding opdoemen, brengen verlichting als ze van deugdzame aard zijn. Maar als ze slecht zijn, hebben ze geen invloed op het verstand en het hart. Het laat geen sporen na en schaadt niet. Net als een slang die je via een spiegel ziet die je vasthoudt, kan de spiegelbeeld van de slang niet aan je hand komen. Het kan je geen pijn doen. Zo heeft waan geen vat op je hart, hoewel het bewijst dat de duivel bestaat.

5. Als men denkt dat wanen schadelijk zijn, zal het dat ook zijn. Het kan schadelijk zijn als men in tegenstelling tot het bovengaande handelt. Als er veel aandacht aan wordt besteed, zal het krachtiger worden en heersen. Het beste is om er niet veel mee bezig te zijn.

Als je meer wil weten over dit onderwerp, kan je  de 13e flits in het collectie Risale-i Nur lezen, dat een geestelijke lezing is van de Heilige Koran.

Bronnen, noten en referenties

  1. Müsned, II, 255; VI, 106; Müslim, İman, 201-205, 211