God kan niet ondervraagd worden over Zijn handelen. 1 Zoals altijd nemen we ook hier het voorbeeld van Profeet Ibrahim en willen we als mens dat ons hart voldaan is. 2 Daarom komt de volgende vraag spontaan in ons op: 

- Waarom heeft God de duivel en het kwaad geschapen en ons hiermee opgezadeld? Is het niet verwerpelijk en kwaadaardig om het slechte en het kwaad te scheppen?

Net als alle zichtbare en onzichtbare wezens, is ook de duivel geschapen om Allah te dienen. Omdat hij in opstand kwam tegen Allah door niet te knielen voor Adam, werd de goddelijke genade hem ontzegd. Op eigen vraag kreeg hij tot het einde der tijden, ten gevolge een goddelijk inzicht, de toestemmimg om mensen lastig te vallen en hen trachten te ontsporen.

De wijsheid achter het verlenen van deze toestemming is niet één maar honderd. Eén van de belangrijkste redenen is het volgende: God kon de mens ook beproeven door de duivelse taak op te leggen aan de menselijke ego, dus zonder de influisteringen van de duivel. Maar door zijn kwade eis om mensen tot de laatste dag te verleiden te accepteren, werd de bestraffing van de duivel in de hel miljarden keren verzwaard.

Want volgens de overlevering "De veroorzaker is als de dader"3, wordt de duivel ook verantwoordelijk gesteld voor de zonden van mensen, die gepleegd zijn omwille van zijn ingevingen. Bijgevolg wordt de straf van de duivel alsmaar zwaarder. Dus de verleende toestemming is in feite een straf op zich.

Een andere reden voor het scheppen van wezens en gebeurtenissen die er kwaad en ellendig uitzien, is dat alles alleen maar bestaat door zijn tegengestelde. De schoonheid van de schone komt tevoorschijn dankzij de lelijkheid van de lelijke. We zouden de niveau's van schoonheid niet begrijpen, moest er in de wereld geen lelijkheid bestaan. Men kan het gevoel van verzadiging alleen begrijpen wanneer de honger toeneemt. Zonder de nacht zouden wij de dag niet vatten. Zonder de herfst zouden wij niet zo kunnen houden van de zomer.

Zonder de hel zou men de waarde van het paradijs niet precies kunnen inzien. Zonder de slechten en het kwaad zouden de goeden en de goedheid niet geapprecieerd worden. Moest Allah ongeloof niet toegelaten hebben en waren er geen ongelovigen, dan zou de eeuwige schoonheid van het geloven en het gelovig zijn niet begrepen worden.

Een ander aspect van deze kwestie is dat niet het scheppen op zich, maar het uitrichten van kwaad slecht is.

Want God schept niets om als kwaad te dienen, wel om als goed te dienen. Wij veranderen deze goede creaties naar kwaad voor onszelf. Neem nu vuur waarmee de duivel is geschapen. Dat is het beste voorbeeld in dit geval. Het scheppen of het bestaan van vuur is in wezen niet slecht, wel het aanraken ervan. Wie het vuur correct gebruikt, heeft voordeel, zoniet ondergaat hij schade.

Een ander voorbeeld is regen. De komst van regen zorgt voor duizenden prachtige resultaten. Als sommige mensen door hun eigen onvoorzichtigheid schade ondergaan, kunnen zij niet beweren dat het scheppen van regen ongenadig is. Bijgevolg kan men niet besluiten dat regen in wezen slecht is.

Naar analogie met deze voorbeelden is het doel van de achtervolging door de duivel, de goedheid en het beste in de mensen naar boven brengen zodat ze rechtschapen en vroom worden en naar het paradijs gaan. Niet om hen tot slechten te maken en naar de hel te sturen.

Kortom is het bestaan van de duivel niet in wezen slecht. Het wordt pas slecht en kwaadaardig als wij de duivelse verleiding en onze eigen begeertes gaan volgen.

God heeft profeten en heilige boeken met hen meegestuurd over hoe de mens zich kan behoeden voor de duivel.

Al die profeten en boeken in het algemeen en de laatste profeet, Mohammed (vzmh) en de Koran die met hem gezonden is, in het bijzonder, hebben ons gewaarschuwd en ons op de hoogste niveau ingelicht over hoe wij ons het best kunnen beschermen. Voor wie geen gehoor geeft aan deze waarschuwingen, zal de duivel resulteren in de hel. Maar voor wie de vermaningen wel in acht neemt, zal de duivel lijden tot het paradijs.


 

 

 

Bronnen, noten en referenties

  1. De Heilige Koran, Al-Anbiya (De Profeten) 21/23
  2. De Heilige Koran, Al-Baqarah (De Koe) 2/260
  3. De Tuinen der Oprechten, hoofdstuk 20, overlevering 174, p. 158, 161; Soenen van İbni Madja (I, 74, 206), 1751, 203, 207,